Een oranje poes begroet me halverwege de straat en wacht tot ik de deur van het hotel open. Alsof ze wist dat ik hier woon.
Ik breng mijn koffer naar mijn kamer en parkeer hem naast mijn bed. De andere bedden lijken beslapen. Er hangt kleding. Tassen op de vloer, in de badkamer ligt een tandenborstel. Aan de spullen kan ik niet zien wat voor mensen hier leven. Mannen of vrouwen, jong of oud. Ik moet me inhouden om de tassen niet open te maken en door de inhoud te gaan. Om te raden met wie ik vanavond slaap.
Beneden ga ik aan een van de tafels zitten werken. Uren gaan voorbij en ik heb honger. Net als ik bedenk waar ik wil gaan eten komt een man binnen die warmhoudbakken op een lange tafel zet. Twee minuten later staat er een grote groep hongerige jongeren omheen. Een medewerker van het hotel komt naar me toe: “Eet je mee? Er is genoeg.” Het eten is voor een groep die in het hotel verblijft. Twee ontdeugend kijkende jongens die niet tot de groep behoren pikken ongemerkt frietjes. Ik voel me oud.
Vanavond wilde ik mensen om me heen. Contact maken met anderen, maar het lukt me niet. Ik ben een vreemde. Verkeerde nationaliteit, verkeerde leeftijd. Iedereen lacht met elkaar. Er heerst een uitgelaten vakantiesfeer.
Aan een tafel naast me zit ook een jongen alleen. Hij verwarmt supermarktpannenkoeken in de magnetron en eet ze zwijgend. Hij leest een boekje over Amsterdam en kijkt niet op. Als ik hem iets vraag geeft hij nors antwoord. Hij wil niet gestoord worden. Een Frans gezin zit stoïcijns te kaarten. Vier jongeren komen binnen in pyjama en gaan weg. Een toneelstuk, een surrealistisch ballet. De medewerker van het hotel komt naar me toe en maakt een grapje.
Om toch mensen te ontmoeten, ga ik naar een bekend café in de buurt. Hier zitten groepjes mensen te lachen. De enige persoon met wie ik contact maak is de ober. Hij knikt vriendelijk en geeft me een knipoog. Ben ik aan het vervreemden? Lukt het me niet meer in contact te komen met normale mensen? Alleen als ik voor service betaal? Als een oude verminkte man die geen liefde meer kan vinden en hoeren inhuurt? Desnoods om mee te praten.
Als ik naar mijn kamer ga ligt er al een iemand op bed. Onherkenbaar gehuld in een laken. Ik ga liggen en luister naar de ademhaling van mijn onbekende kamergenoot. Het stelt me gerust. Als ik bijna in slaap ben gevallen komen de andere bedbewoners binnen. Jonge fluisterende schimmen. Iemand plast, maar trekt niet door. Met het licht van hun telefoon zoeken ze hun bed. Hun aangepaste gedrag ontroert me. Iedereen gaat slapen. Driestemmig gesnurk. Als ik eindelijk in slaap val, gaat mijn wekker. De anderen slapen onverstoorbaar als ik douche en mijn koffer pak. Nooit zal ik weten met wie ik mijn kamer deelde.
’s Morgens aan het ontbijt is iedereen druk in gesprek. Niemand kijkt naar me. Alleen de oranje poes komt naar me toe en geeft me een kopje.